Algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht
De democratie in Nederland bestaat sinds 1795. Toen werden voor het eerst in heel het land verkiezingen gehouden voor de Nationale Vergadering (zo heette het parlement toen). En Nederland bleef een democratie, al viel er soms niet veel te kiezen, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog of onder het bestuur van Napoleon. Maar een democratie voor wie? Bij de verkiezingen van 1795 bijvoorbeeld mochten alle mannen stemmen. Behalve militairen, want die stonden onder bevel van een commandant. Ze waren te afhankelijk om een vrije keus te maken, vond men. Ook mannen die leefden van een uitkering mochten om die reden niet stemmen. Aan stemrecht voor vrouwen dacht nog bijna niemand. Vrouwen waren in die tijd juridisch afhankelijk van mannen. Ze mochten niet zelfstandig grond en huizen kopen en verkopen of een rechtszaak voeren – laat staan stemmen.
In de negentiende eeuw mochten alleen de mannen stemmen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden. Dat werd pas losgelaten in 1917. Vanaf dat moment mochten alle mannen én alle vrouwen verkozen worden, mochten alle mannen stemmen en zouden vrouwen mogen stemmen zodra de Kieswet dat toestond. Dat gebeurde twee jaar later: toen kregen ook alle vrouwen stemrecht.
De eerste vrouwelijke politici
In 1919 waren er gemeenteraadsverkiezingen. Vrouwen mochten toen nog net niet zelf stemmen, maar waren al wel verkiesbaar.
De liberalen en socialisten waren vóór vrouwenkiesrecht, de christelijke partijen waren tegen. Maar de katholieken zagen ook kansen. Als vrouwen dan toch kiesrecht kregen, moesten katholieke partijen aantrekkelijk worden voor vrouwen. Anders zouden katholieke vrouwen vanwege de kiesrechtkwestie misschien ‘weglopen’ naar de liberalen of socialisten. Dus zetten de katholieke partijen alvast tientallen vrouwen op hun kandidatenlijsten. (De protestantse partijen waren nog niet zo ver.) In Roermond hadden de liberalen en de socialisten zelf geen vrouwelijke kandidaat, maar uitgerekend de Katholieke Kiesvereeniging wél: juffrouw Mathilde Haan.
In heel Nederland werden zo’n 90 vrouwen in de gemeenteraden gekozen, een politieke aardverschuiving. Mathilde Haan in Roermond was één van hen, Siena Ruypers-Erens in Valkenburg ook. Zij behoorden dus tot dezelfde lichting. De verkiezingsdatum verschilde per gemeente. De nieuwe raadsleden werden ingezworen tijdens de eerste raadsvergadering na 1 september. Ook de vergaderdag verschilde per gemeente. Het heeft dus weinig zin om te zeggen dat mevrouw X eerder verkozen was dan mevrouw Y, die juist weer een paar dagen eerder werd ingezworen dan mevrouw X.
Mathilde Haan een feministe?
Mathilde Haan (roepnaam Tila of Tilly) had de middelbare school afgemaakt en een universitaire studie gedaan. Dat was in haar tijd iets bijzonders. Toen haar vader stierf, nam ze de leiding van de familie-apotheek over. Maar was ze een feministe?
In de gemeenteraad maakte ze zich onder meer sterk voor een huishoudschool, vrouwelijke woninginspecteurs (die oog hadden voor de gezinssituatie), vrouwelijke politieassistenten (omdat gearresteerde vrouwen bij mannelijke agenten niet altijd veilig waren), een kraamafdeling in het ziekenhuis en een ‘bewaarschool’ voor kleuters. Dus ja, ze was een feministe. Maar ook weer niet, tenminste niet naar onze huidige opvattingen. Na haar huwelijk in 1923 trok ze zich terug uit het openbare leven, zoals van getrouwde vrouwen verwacht werd. Bij de raadsverkiezingen van 1923 was ze niet herkiesbaar.