Door Gerard Venner

De meeste oorkonden op perkament hebben betrekking op zakelijke transacties over onroerend goed en schuldbekentenissen. Het gaat om de tekst die ter bekrachtiging van de inhoud van een of meer zegels is voorzien. Deze oorkonde echter is naar opmaak, inhoud en context een heel bijzondere. Aan de bovenzijde en de zijkanten is de akte in kleur versierd, terwijl verschillende letters in goud zijn uitgevoerd. Dat maakt de akte al tot een bijzonder stuk. De oorkonde staat op naam van Michael Angelus Tamburinus, de overste-generaal van de Jezuïetenorde te Rome. Deze heeft niet betrekking op zoiets aards als onroerend goed, maar op het heil in het hiernamaals. De overste-generaal maakt op 6 september 1715 Henriëtte Christine van Brunswijk-Lüneburg deelgenote van de geestelijke schat die de orde door gebed en andere goede werken opbouwt. Concreet betekende dit dat zij mag hopen dat haar verblijf in het vagevuur na haar overlijden dankzij deze goede werken wordt verkort en dat zij dus eerder in de hemel wordt opgenomen.

Detail oorkonde

Wie was Henriëtte Christine van Brunswijk-Lüneburg die deze oorkonde in 1715 kreeg en wat is haar relatie met Roermond? Zij werd in 1669 te Wolfenbuttel geboren als elfde kind van hertog Anton Ulrich van Brunswijk-Lüneburg, een beroemd kunstverzamelaar. Zoals gebruikelijk in hoge adellijke kringen werden de kinderen die hun vader niet zouden opvolgen ondergebracht in een passend damesstift in afwachting van een geschikte huwelijkspartner. Zo ook Henriëtte Christine die op achttienjarige leeftijd kanunnikes werd in het lutherse rijksstift Gandersheim in Nedersaksen. Nadat de huwelijksplannen met Karel XI van Zweden mislukt waren, werd zij onder druk van de vader in 1694 tot abdis gekozen, een waardigheid vergelijkbaar met die van vorstin-abdis te Thorn.

Henriette Christine von Braunschweig-Wolfenbüttel Porträt.jpg

Portret van Henriëtte Christine van Brunswijk-Lüneburg, bewaard in het stift Gandersheim (D)

Zij was achttien jaar abdis in Gandersheim, totdat zij in 1712, 43 jaar oud, beviel van een kind, waardoor zij moest aftreden. De schade en schande die over het stift en de familie kwam, trachtte men zoveel mogelijk te beperken. Eerst werd een advies ingewonnen, waarin betoogd werd door beroemde artsen dat zwangerschap ook zonder geslachtsgemeenschap mogelijk was. Voortgaan in deze strategie zou echter nog meer opzien baren, zodat gekozen werd voor een andere weg. De voormalige abdis moest uit de omgeving verdwijnen. Enige weken later ging zij over van de lutherse religie naar het rooms-katholieke geloof. Dat was geen noodsprong. Zij voelde zich al vele jaren tot het rooms-katholieke geloof aangetrokken en haar vader had kort tevoren ook deze overstap gemaakt. Van katholieke zijde was men uiteraard verheugd over dergelijke bekeringen, maar noch Rome noch de bisschop van Roermond wisten van de pijnlijke gebeurtenis te Gandersheim.

Henriëtte Christine ging op zoek naar een geschikt klooster in de Zuidelijke Nederlanden en kwam in hetzelfde jaar 1712 in de Munsterabdij te Roermond terecht. Haar vader die haar in 1713 kwam opzoeken, vond de Munsterabdij niet passend bij haar stand. Zij kon beter in een klooster in Wenen intreden, maar dat wilde zij niet. Zij wenste wel in een klooster te wonen, maar geen geloften af te leggen of habijt te dragen. Zij verliet dus in 1713 de Munsterabdij en vestigde zich als pensionaire in het Ursulinenklooster in de Steegstraat. Zij kreeg van het Brunswijkse hof een jaargeld van 2000 rijksdaalder en leefde overeenkomstig haar stand in een appartement met meerdere kamers en eigen personeel. Het appartement omvatte een kamer met uitzicht op het altaar in de kloosterkerk en een grote zaal met familieportretten.

Hier leefde zij dertig jaar tot zij in 1753 overleed. Van haar relatie met de Jezuïetenorde bleek al in de beschreven oorkonde van 1715. Het is dan ook niet vreemd dat zij in de kerk van het Roermondse Jezuïetencollege werd begraven. De orde werd in 1773 opgeheven. Toen de kloosterkerk zou worden afgebroken, werd het stoffelijk overschot in 1777 overgebracht naar de Sint-Nicolaaskapel in de Sint-Christoffelkerk tevens kathedraal. Haar grafsteen is nog altijd aanwezig.

Bron

Toegang 5060 Familiearchief Van Brunswijk, inv.nr. 1

Literatuur

Ute Küppers-Braun, ‘Fürstäbtissin Henriette Christine von Braunschweig-Lüneburg (1669-1753) oder: Kann eine Frau ohne ihr Wissen schwanger werden?’, in: M. Hoernes en H. Röckelein (red.), Gandersheim und Essen. Vergleichende Untersuchungen zu sächsichen Frauenstiften. Forschungen zum Frauenstift 4 (Essen 2006), blz. 229-244