De Oostenrijkse tijd: een zilveren eeuw
Voor Roermond was Willem van Oranje geen vader des vaderlands en was de zeventiende eeuw geen gouden eeuw. Eerder was Maria Theresia een moeder des vaderlands en was haar tijd een zilveren eeuw.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog raakten de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden van elkaar gescheiden. Uit het noorden kwam later Nederland voort, het zuiden werd uiteindelijk België. Door politieke verwikkelingen in de negentiende eeuw zijn Roermond en Nederlands Limburg nu onderdeel van Nederland, maar daarvóór hoorden ze eeuwenlang bij de Zuidelijke Nederlanden.
Dat gebied werd eerst geregeerd door de koning van Spanje. Toen het Spaanse koningshuis in 1700 uitstierf, brak er een oorlog uit. Na die oorlog kwamen de Zuidelijke Nederlanden in 1715 in bezit van de aartshertogen van Oostenrijk, die bijna altijd ook keizer van het Duitse rijk waren. Keizer Karel VI regeerde tot 1740 en werd opgevolgd door zijn dochter Maria Theresia. Na haar volgden tot aan de Franse tijd nog drie Oostenrijkse vorsten: Jozef II, Leopold II en Frans I. Maria Theresia en haar zonen Jozef en Leopold staan bekend als vooruitstrevende vorsten die bij hun bestuur het belang van hun onderdanen voorop stelden. Daardoor was de tweede helft van de achttiende eeuw voor de Zuidelijke Nederlanden een tijd van economische en culturele bloei.
Bloei van de kunsten
Die bloei van de kunsten drong ook in Roermond door. Zo werd het grafmonument voor bisschop d’Ongnies in de kathedraal gemaakt door de beroemde Antwerpse beeldhouwer Jan Pieter Baurscheit. Zulke opdrachten stimuleerden het niveau van de Roermondse kunstenaars.
Van sommige kunstenaars is de naam onbekend. Bijvoorbeeld van de begaafde steenhouwer die de pomp bij de fontein op de Munsterplein en de stenen kozijnen van verschillende huizen uitvoerde in rococostijl.
Van andere kunstwerken zijn de makers wel bekend. Zo maakte Franz Xaver Baader een beeldengroep voor het altaar van de Caroluskapel in het kartuizerklooster. Dit altaar is na de opheffing van het klooster in Thorn terechtgekomen. Vrijwel zeker verzorgde Baader ook het spectaculaire stucwerk in diezelfde Caroluskapel (grote foto), want toen hij in 1778 Roermonds burger werd, werd hij aangeduid als stucadoor.