Deze beschrijving van het ‘jaar zonder zomer’ klinkt ongelooflijk, maar het was zo.

Grafsteen-pastoor-Arnold-Borret

Borret was van 1784 tot 1798 pastoor in Herten en later in Reek (NB). In zijn dagboek schreef hij vele pagina’s vol over het ‘alderrampzaligst’ jaar 1816. Eerst een strenge winter met alleen op 28 april even wat zon. Tot medio september opnieuw constant bewolkt en bijna dagelijks regen. Miljoenen dode muggen dekten beken, grachten en waterkanten helemaal toe. Vanaf eind september wéér eindeloze regens. De weiden langs de Maas stonden onder, het hooi was verrot, het vee stierf. ‘Tot den oogst van 1817 was de armoede en gebrek onbeschryfelyk; het volk hield het leven met kruyden langs de heggen te plukken en gepelde garst’.

Oorzaak: de Tambora

De pastoor wist niet dat het in andere landen nog ellendiger was. In Zwitserland graasden mens en dier samen het verpieterde gras van de weiden. In Borrets tijd begreep ook niemand wat er aan de hand was. Sommigen schreven het slechte weer toe aan een komeet. Anderen dachten dat het einde van de wereld gekomen was. Eén man had het bij het rechte eind, alleen dat wist toen nog niemand. Hij schreef in de Utrechtsche Courant dat het slechte weer kwam door een enorme aardbeving of vulkaanuitbarsting ergens in de wereld.
Dat was de uitbarsting van de Tambora op het eiland Sumbawa op 10 april 1815, weten we nu. Tot die datum was de Tambora de hoogste berg van wat nu Indonesië is. Maar door de uitbarsting raakte hij zijn bovenste 1,4 km kwijt (laten we alles maar in kilometers aanduiden). Meer dan 150 km3 gesteente werd de lucht in geslingerd. Vulkanische as werd 43 km omhoog de atmosfeer in geblazen. Tot 2500 km ver schrokken mensen van de onvoorstelbare knal.

Wereldwijde klimaatramp

De gevolgen van de uitbarsting waren nog heftiger. Eerst een serie tsunami’s. Vervolgens een aswolk die eerst dagenlang de wijde omgeving compleet verduisterde en waardoor de zon anderhalf jaar lang wereldwijd nauwelijks scheen. Giftige zwavel, die tot in 1818 af en toe neersloeg als gele, bruine en rode sneeuw en regen, tot in Nederland toe. Kunstenaars als William Turner en Caspar David Friedrich schilderden okerkleurige luchten en zonsondergangen – geen fantasierijke persoonlijke expressies, zoals kunsthistorici lang dachten, maar een natuurgetrouw beeld van de werkelijkheid. Extreme kou en regen. Wereldwijd mislukte oogsten, voedseltekorten en hongeroproeren, ook in Nederland. Kleine dieren waren bij de uitbarsting de atmosfeer in geslingerd, vogels meegezogen. Ze kwamen later uit de lucht vallen tijdens regen-, hagel- en sneeuwbuien. In New York bijvoorbeeld regende het op 6 juni 1816 dode vogels.

medaillons-naar-gravures-georg-adam-1816

De uitbarsting van de Tambora was de grootste natuurramp sinds mensenheugenis. Er waren in die tijd nog geen klimaatstatistieken. Historici die de ramp onderzoeken, zijn aangewezen op bronnen als het gedetailleerde dagboek van pastoor Borret.

Schilderij: William Turner, Chichester Canal. Tate Gallery, Londen. Medaillons: Georg Adam, scènes uit het ‘jaar zonder zomer’ 1816. Wasserschloss Glatt (D).